Samenvatting
Europese en Nederlandse wetgeving definiëren maxima, dat wil zeggen actiewaarde en grenswaarde, voor de blootstelling aan lichaamstrillingen (WBV) en hand-arm trillingen (HAV) waaraan werknemers op een werkdag mogen worden blootgesteld. Weliswaar is er een overgangsperiode tot juli 2014 voor de land- en bosbouw, maar die geldt alleen voor arbeidsmiddelen die vóór juli 2007 beschikbaar zijn gesteld. De wetgeving is bedoeld om gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan trillingen te voorkomen. Indien de actiewaarde (0.5 en 2.5 m/s2, voor respectievelijk WBV en HAV) wordt overschreden dienen organisatorische, technische en gezondheidkundige maatregelen te worden genomen om verdere blootstelling te beperken. Bij overschrijding van de grenswaarde (1.15 en 5 m/s2, WBV en HAV) moet de blootstelling meteen teruggebracht worden tot onder deze waarde. Het gebruik van verschillende arbeidsmiddelen in de groenvoorzieningen wordt als één van de situaties gezien waarbij mogelijk maatregelen nodig zijn om de blootstelling aan trillingen te verminderen. Het huidige onderzoek heeft als doel een schatting te geven van de normale dagelijkse blootstelling aan lichaamstrillingen en hand-arm trillingen bij het werken met verschillende moderne arbeidsmiddelen in de groenvoorzieningen in de praktijk. Concreet zijn onderzocht: het maaien van sportvelden en plantsoenen, het maaien van bermen en taluds, het knippen van heggen en het blazen van blad. Daarnaast was het doel van het onderzoek aan te geven of de blootstelling eventueel zou kunnen worden teruggebracht indien technisch geavanceerde machines zouden worden gebruikt.
Blootstellingsmetingen zijn uitgevoerd tijdens normale werkzaamheden in de praktijk, met in totaal 8 professionele vrijwilligers. Per werkmethode waren steeds twee personen en minimaal twee verschillende arbeidsmiddelen betrokken. Lichaamstrillingen zijn bij het maaien van sportvelden en van plantsoenen volgens voorschrift (ISO-2631-1, 1997) gemeten op de stoelzitting; bovendien zijn trillingen van het chassis aan de stoelbasis gemeten om de effectiviteit van demping van de stoel (SEAT) te bepalen. Hand-arm trillingen zijn bij alle werkmethoden gemeten aan de handvatten volgens ISO-5349-1 (2001) Alle trillingen zijn per meetpunt bepaald in 3 richtingen X (voor-achter), Y (zijwaarts), en Z (verticaal); voor hand-arm trilling zijn deze als vectorsom ahv weergegeven. De data zijn tijdens de metingen on-line digitaal weergegeven en opgeslagen en off-line verwerkt. De invloed van snijgereedschap (draadkop of snijmes) op de trillingsblootstelling is apart gemeten bij de bosmaaiers. Bij één bladblazer is tevens het effect van de vorm van de uitblaasopening van de pijp onderzocht. Via een inventarisatie bij de Vereniging voor Hoveniers en Groenvoorzieners is inzicht verkregen in de tijdsduur van de verschillende handelingen die op een werkdag plaatsvinden bij elk van de onderzochte werkmethoden.
![]() |
|
![]() |
![]() |
Het maaien van sportvelden leverde waarden voor lichaamstrillingen tussen 0.41 en 0.50 m/s2, met de verticale richting als hoogste. De verschillen tussen beide personen en machines bleken klein. Lichaamstrillingen tijdens het maaien van plantsoenen bedroegen 0.61, 0.61 en 0.47 m/s2 (mediaan, respectievelijk voor X-, Y-, en Z-richting). Hierbij is uitgegaan van een verdeling van 10% van de tijd aan- en afrijden over verharde weg en 80% van de tijd daadwerkelijk maaien. Na 4.6 tot 5.8 (mediaan: 5.4) uur werken wordt de actiewaarde voor horizontale trillingen overschreden.
Het knippen van heggen leverde een hogere blootstelling op voor het handvat vóór (ahv = 4.47 m/s2, mediaan over de arbeidsmiddelen en personen) ten opzichte van het achterhandvat (mediane ahv = 3.27 m/s2). Hierbij is uitgegaan van een verdeling van 20% van de tijd stationair hanteren en 60% van de tijd daadwerkelijk knippen. Met de meest trillingsarme schaar kon 4.0 uur gewerkt worden volgens dit patroon alvorens de actiewaarde zou worden overschreden.
![]() |
Bij het blazen van blad werd een groot verschil gevonden tussen beide machines: ahv = 1.4 – 5.0 m/s2 en 1.8 – 3.6 m/s2 bij respectievelijk stationair hanteren en blazen van blad zelf (de getallen zijn de mediaan van twee personen). Dit resulteerde bij een verdeling over de werkdag van 10% van de tijd stationair hanteren en 80% daadwerkelijk blazen van blad dat de dagblootstelling varieerde van 1.8 tot 3.7 m/s2 en dat daarmee de tijd tot overschrijding van de actiewaarde varieerde tussen > 8 uur tot 3.6 uur. Geen verschil werd geconstateerd tussen een ronde en een rechte uitlaatpijp. |
Het gebruik van bosmaaiers leverde voor alle machines de hoogste blootstellingen op voor het linker handvat (mediane ahv = 4.50 m/s2) ten opzichte van rechts (ahv = 4.11 m/s2), bij een verdeling van 20% van de tijd stationair hanteren en 60% van de tijd daadwerkelijk maaien. De meest trillingsarme machine overschreed bij dit dagpatroon na 3.2 uur de actiewaarde. Geen verschil werd gemeten tussen de typen snijgarnituur.
De volgende conclusies kunnen worden getrokken: (1) tijdens het maaien van plantsoenen moet aandacht worden besteed aan het verminderen van de lichaamstrillingen in de voor-achterwaartse en zijwaartse richting. Rustiger rijgedrag en/of montage van een verbeterde stoel met demping in het horizontale vlak zouden de blootstelling kunnen verminderen. Het laatste punt zal met metingen moeten worden onderbouwd. (2) De blootstelling aan hand-arm trillingen tijdens het knippen van heggen, bladblazen en maaien van bermen met een bosmaaier blijkt te hoog. Na maximaal 3 tot 4 uur werken wordt de norm (actiewaarde) overschreden. Dit werd geconstateerd voor vrijwel alle geteste machines. Alleen voor bladblazen bleek een trillingsarme machine op de markt, waarmee een gehele werkdag kan worden gewerkt zonder overschrijding van de norm. Voor de andere werkmethoden wordt een beperking van de dagelijkse werktijd en het beperken van de tijd dat het arbeidsmiddel stationair draaiend in de hand wordt gehouden aanbevolen om de blootstelling te verminderen.
Bron: www.ergolabresearch.eu.